Fraxodi Amp Ser 10x1,0ml - 19.000 Ui/ie
Op voorschrift
Geneesmiddel

Fraxodi Amp Ser 10x1,0ml - 19.000 Ui/ie

  € 122,68

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 12,80 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 8,50 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt

  € 122,68
Op bestelling

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik FRAXODI is voorbehouden voor curatieve behandeling van diepe veneuze trombosen en wordt toegediend als één enkele injectie per dag. Ieder vermoeden van diepe veneuze trombose moet snel bevestigd worden door middel van aangepaste onderzoeken. Biologische opvolging Omwille van het mogelijke voorkomen van trombocytopenie geïnduceerd door de toediening van niet gefractioneerde heparine of van heparine met laag moleculair gewicht, is het aanbevolen regelmatig het aantal bloedplaatjes te bepalen tijdens de gehele behandelingsduur met nadroparine. De anti-Xa-activiteit kan gemeten worden (bij voorkeur door middel van de amidolytische methode) om de individuele gevoeligheid van de patiënten te evalueren, in het bijzonder in geval van nierinsufficiëntie, bij bejaarde personen en zeker in geval van een hemorragisch beeld. Het bloed moet dan afgenomen worden op de tweede dag van de behandeling, 4 tot 6 uur na de injectie; een anti-Xa-activiteit hoger dan 1,8 I.E. anti-Xa/ml kan wijzen op een overdosering en kan aanleiding geven tot dosisverlaging. Heparine-geïnduceerde trombocytopenie Er werden zeldzame gevallen soms ernstige van heparine-geïnduceerde trombocytopenie gemeld. Deze kunnen al dan niet samengaan met arteriële en/of veneuze trombosen en vereisen stopzetting van de behandeling. Gevallen van tromboserende trombocytopenie moeten worden opgespoord bij :  iedere trombocytopenie,  een aanzienlijke daling van het aantal bloedplaatjes (30 tot 50 % ten opzichte van de aanvangswaarde),  een verergering van een trombose onder behandeling,  een nieuwe trombose tijdens de behandeling,  diffuse intravasculaire stolling. In dit geval moet de behandeling met nadroparine worden gestopt. Tijdens een eerste behandeling komen deze accidenten, die waarschijnlijk van immuno�allergische aard zijn, in het merendeel van de gevallen tussen de 5 de en de 21 ste behandelingsdag voor, maar ze kunnen veel vroegtijdiger optreden in geval van antecedenten van trombocytopenie bij behandeling met heparine. - VOORGESCHIEDENIS van trombocytopenie tijdens een behandeling met een ander heparine (niet gefractioneerd of met laag moleculair gewicht): een behandeling met nadroparine mag overwogen worden, als nadroparine in vitro geen aggregatie van de bloedplaatjes van de patiënt teweegbrengt. In dit geval dient de clinicus, tijdens de behandeling met nadroparine, de klinische parameters nauwlettend in het oog te houden en minstens dagelijks een bloedplaatjestelling uit te voeren. De behandeling moet onmiddellijk gestaakt worden wanneer een trombocytopenie zich voordoet, gezien het feit dat er gevallen van recidieven, soms vroegtijdige recidieven, gerapporteerd werden. - VOORKOMEN van een trombocytopenie tijdens een behandeling met heparine (niet gefractioneerd of met laag moleculair gewicht): de vervanging door een product behorende tot een andere antitrombotische klasse (indien voorhanden) mag in overweging genomen worden. Indien dat product niet voorhanden is, mag de vervanging door een andere heparine met laag moleculair gewicht overwogen worden. Dit vereist minstens een dagelijkse controle van het aantal bloedplaatjes en de behandeling moet zo snel mogelijk onderbroken worden aangezien gevallen van persistentie van de initiële trombocytopenie werden gerapporteerd. In vitro tests voor bloedplaatjesaggregatie hebben slechts een beperkte oriënterende waarde in geval van diagnose van door heparine veroorzaakte trombocytopenie. Toediening van nadroparine moet met voorzichtigheid gebeuren in de volgende gevallen omdat ze kunnen gepaard gaan met een hoger bloedingrisico:  leverfalen,  ernstige arteriële hypertensie,  antecedenten van gastro-duodenaal ulcus of van eender ander organisch letsel dat mogelijkerwijze kan bloeden,  vasculaire aantasting van de chorioretina,  tijdens de postoperatieve periode na hersen-, ruggenmerg- of oogchirurgie. Bejaarde patiënten en bijzondere gevallen Vooraleer de behandeling aan te vatten, is het aangeraden om de nierfunctie te evalueren (zie rubrieken 4.2 en 4.3). Nierinsufficiëntie Het is bekend dat FRAXODI hoofdzakelijk renaal wordt uitgescheiden. Dit leidt tot een hogere blootstelling aan FRAXODI bij patiënten met nierinsufficiëntie (zie paragraaf 'Nierinsufficiëntie' in rubriek 5.2). Patiënten met een onvoldoende nierfunctie hebben een hoger bloedingrisico en zouden met vele voorzorgen moeten behandeld worden. Het is de arts die beslist om de dosis al dan niet te verminderen voor een patiënt met een creatinineklaring tussen 30 en 50 ml/min. Hiervoor wordt het individuele bloedingrisico van de patiënt afgewogen tegenover het risico van trombo-embolie (zie rubriek 4.2). Hyperkaliëmie Heparine kan de bijniersecretie van aldosteron remmen. Dit kan leiden tot hyperkaliëmie, voornamelijk bij patiënten met hoge kaliumspiegels of bij patiënten die gemakkelijker verhoogde kaliumspiegels vertonen, zoals patiënten met diabetes mellitus, chronische nierinsufficiëntie, bestaande metabole acidose en patiënten die geneesmiddelen nemen die hyperkaliëmie kunnen veroorzaken (b.v. angiotensineconversie-enzymremmers, angiotensine II-receptorantagonisten, niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen). Het risico van hyperkaliëmie blijkt toe te nemen met de behandelingsduur maar is doorgaans omkeerbaar. Bij risicopatiënten moeten de kaliumspiegels opgevolgd worden. Rachi/ epidurale anesthesie of spinale punctie en concomitante geneesmiddelen Zoals bij de andere anticoagulantia, werden zeldzame gevallen van intraspinale hematomen gerapporteerd als gevolg van het gebruik van nadoparine tijdens een rachis- of epidurale anesthesie; deze hematomen gaven aanleiding tot neurologische letsels van verschillende graad, waaronder een langdurige of permanente paralyse. Het risico van epidurale hematomen of hematomen van de wervelkanaal is verhoogd bij gebruik van epidurale verblijfskatheters of bij gelijktijdige toediening van andere geneesmiddelen met een invloed op de bloedstolling, zoals niet-steroïdale antiflogistica, anti-aggregantia en andere anticoagulantia(zie rubriek 4.5). Het risico blijkt eveneens hoger in geval van traumatische punctie of van herhaalde epidurale/rachipunctie. Daarom mag een bijkomend neuroaxiaal blok of anticoagulatie slechts worden voorgeschreven na nauwkeurig onderzoek van de baten/risicoverhouding van de patiënt en dit in de volgende omstandigheden:  bij patiënten die reeds met anticoagulantia behandeld worden, moeten de voordelen van een neuroaxiaal blok zorgvuldig afgewogen worden tegenover de mogelijke risico's.  bij patiënten die een electieve ingreep met een neuroaxiaal blok moeten ondergaan, moeten de voordelen van de anticoagulerende behandeling zorgvuldig afgewogen worden tegenover de mogelijke risico's. Indien een patiënt een lumbale punctie, een rachi-anesthesie of epidurale anesthesie moet ondergaan, moet een interval van minimum 12 uur worden gelaten tussen de injectie met nadroparine in een profylactische dosis of van 24 uur tussen de injectie met nadroparine in een curatieve dosis en het inbrengen of uittrekken van de rachi/epidurale katheter of naald, rekening houdend met de productkenmerken en het profiel van de patiënt. Voor patiënten met nierinsufficiëntie kunnen langere intervallen overwogen worden. De volgende dosissen mogen ten vroegste na 4 uur worden toegediend. Een nieuwe toediening van nadroparine moet worden uitgesteld tot na de chirurgische ingreep. De patiënten moeten frequent gecontroleerd worden op tekenen en symptomen van een neurologische aandoening, zoals rugpijn, motorische en sensoriële gebreken (gevoelloosheid en zwakte van de onderste ledematen), functiestoornis van de darmen en/of de blaas. Als een neurologische aandoening wordt opgemerkt, is een noodbehandeling vereist. Het verplegend personeel moet opgeleid worden om deze tekenen en symptomen te herkennen. Aan de patiënten moet gevraagd worden hun arts onmiddellijk in te lichten als een van deze tekenen of symptomen bij hen optreedt. Bij vermoeden van een intraspinaal hematoom zijn een dringende diagnose en behandeling, met inbegrip van de decompressie van het ruggenmerg, noodzakelijk. Als zich een ernstige of manifeste bloeding voordoet tijdens de plaatsing van de katheter, moet de baten/risico-verhouding zorgvuldig worden afgewogen alvorens de toediening van heparine wordt opgestart of hervat. Salicylaten, niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen en anti-aggregantia Gelijktijdig gebruik van acetylsalicylzuur, andere salicylaten, niet-steroïdale anti�inflammatoire geneesmiddelen en anti-aggregantia is niet aanbevolen bij de profylaxe of behandeling van veneuze trombo-embolie omdat deze producten het bloedingrisico kunnen verhogen. Indien dergelijk combinaties niet vermeden kunnen worden, moet een klinische en biologische opvolging ingesteld worden. In klinische studies bij instabiele angor en myocardinfarct zonder Q-golf werd nadroparine toegediend samen met een dagelijkse dosis aspirine gaande tot 325 mg per dag (zie rubriek 4.2). Huidnecrose In zeer zeldzame gevallen werd huidnecrose gemeld. De huidnecrose wordt voorafgegaan door purpura of door geïnfiltreerde of pijnlijke erytheemplaques, met of zonder algemene tekenen. In deze gevallen moet de behandeling onmiddellijk worden gestaakt.

  • Diepe veneuze trombose die gepaard kan gaan met een asymptomatische longembolie of met een niet ernstige symptomatische longembolie
  • De site www.thrombosiscare.be bevat patiënteninformatie over de tekenen en symptomen die gelinkt zijn aan een veneuze thrombose alsook uitleg door middel van illustraties

Welke stoffen zitten er in dit middel?

  • De werkzame stof is nadroparine calcium.

  • De andere stoffen in dit middel zijn: verdund zoutzuur of calciumhydroxideoplossing, water voor injecties.

  • Samenstelling voor 1 ml oplossing voor injectie: nadroparine calcium : 19.000 I.E. anti-Xa Ph. Eur. (50.000 E. anti-Xa I.C.) (I.C.= Institut Choay).

Gebruikt u naast Fraxodi nog andere geneesmiddelen, of heeft u dat kort geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u binnenkort andere geneesmiddelen gaat gebruiken? Vertel dat dan uw arts of apotheker.

Dat geldt ook voor geneesmiddelen waar u geen voorschrift voor nodig heeft. Andere geneesmiddelen die een invloed kunnen hebben op bloedstolling zijn afgeraden met Fraxodi, tenzij deze specifiek door uw arts zijn voorgeschreven.

  1. MOGELIJKE BIJWERKINGEN

Zoals elk geneesmiddel kan ook geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.

Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (komen voor bij meer dan één op 10 personen): - Bloeding. Elke bloeding kan ernstig zijn. Indien dit zich voordoet, verwittig dan onmiddellijk uw arts. Soms kunnen kleine bloeduitstortingen zich vormen onder de huid op de plaats waar Fraxodi werd ingespoten. Deze verdwijnen meestal na een paar dagen.

Vaak voorkomende bijwerkingen (komen voor bij tot één op 10 personen): - Verhoging in het bloed van leverenzymen.

Zeldzame voorkomende bijwerkingen (komen voor bij tot één op 1000 personen): - Daling in het aantal bloedplaatjes die soms kunnen leiden tot vorming van bloedklonters. - Huiduitslag - Jeuk - Afzetting van calcium op de injectieplaats

Zeer zelden voorkomende bijwerkingen (komen voor bij tot één op 10000 personen): - Overgevoeligheidsreacties zoals huiduitslag en zwelling van het gelaat inclusief mond, lippen en keel, hijgen en kortademigheid die levensbedreigend kan zijn (anafylaxis) - Pijnlijke en rode vlekken op de huid of huidnecrose t.h.v. de inspuitplaats. - Langdurige en pijnlijke erectie (priapisme) - Toename van het aantal eosinofielen (bloedcellen) - Verhoging van kalium in het bloed

Bijwerkingen waarvan de frequentie niet bekend is (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald): - Hoofdpijn - Migraine

Het melden van bijwerkingen Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook rechtstreeks melden via:

België: Federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Afdeling Vigilantie Postbus 97 1000 Brussel Madou Website: www.eenbijwerkingmelden.be e-mail: adr@fagg.be

Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.

Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?

  • indien u allergisch bent voor de actieve stof nadroparine, heparine of een vergelijkbaar product (zoals enoxaparine, bemiparine, dalteparine) of een van de andere stoffen van dit geneesmiddel (deze kunt u vinden in rubriek 6);

  • als u reeds in het verleden een plotse daling van het aantal bloedplaatjes (bloedcellen die the bloed helpen stollen) veroorzaakt door Fraxodi of andere bloedverdunners van dezelfde groep heeft gehad;

  • als u aan een ziekte lijdt waarbij uw bloed minder goed stolt;

  • als u aan een ziekte lijdt die zou kunnen leiden tot bloedingen zoals, bijvoorbeeld een maagzweer;

  • als u een bacteriële infectie heeft aan het hart (bacteriële endocarditis);

  • als u een herseninfarct heeft gehad als gevol van een bloeding in de hersenen;

  • als u lijdt aan ernstige nierproblemen.

Vruchtbaarheid Er zijn geen klinische studies uitgevoerd naar het effect van nadroparine op de vruchtbaarheid. Zwangerschap Experimenteel onderzoek bij dieren wijst niet op teratogene of foetotoxische effecten. Niettemin zijn slechts weinig klinische gegevens beschikbaar betreffende transplacentaire passage van nadroparine bij de zwangere vrouw. Nadroparine wordt niet aanbevolen voor gebruik tijdens de zwangerschap, tenzij het therapeutisch voordeel opweegt tegen de eventuele risico's. Borstvoeding Er is slechts weinig informatie beschikbaar over de excretie van nadroparine in de moedermelk. Daarom is gebruik van nadroparine niet aanbevolen tijdens de periode van borstvoeding.

Volwassenen

  • 171 IE/kg, wat overeenkomt met 0,1 ml / 10 kg lichaamsgewicht
    • 40 - 49 kg: 0,4 ml
    • 50 - 59 kg: 0,5 ml
    • 60 - 69 kg: 0,6 ml
    • 70 - 79 kg: 0,7 ml
    • 80 - 89 kg: 0,8 ml
    • 90 - 99 kg: 0,9 ml
    • Vanaf 100 kg: 1,0 ml

Toedieningswijze

  • De site www.thrombosiscare.be bevat een video om de auto-injectie uit te leggen aan de patiënt
  • De aanbevolen plaats voor injectie is in het vet van de onderbuik
  • De injectie moet gebeuren op minimum 5 cm naast de navel en naar buiten naar de ene of de andere kant
  • Kies voor iedere injectie een andere plaats van de onderbuik, afwisselend in de linker- en rechterkant
  • Ga zitten of liggen in een comfortabele positie en reinig de gekozen injectieplaats met een alcoholdoekje
  • Neem de spuit en verwijder het beschermdopje
  • Verwijder de luchtbel niet uit de spuit
  • Een eventuele druppel aan de punt van de naald kan men verwijderen door op de spuit, met de naald naar beneden gericht, te tikken
  • Neem een huidplooi tussen duim en wijsvinger
  • Steek de naald volledig en loodrecht in het dikste gedeelte van de plooi
  • Duw voorzichtig op de zuiger van de spuit ; de injectie moet langzaam gebeuren
  • Houd de huidplooi vast tot de inspuiting beëindigd is
  • Na de injectie de huid niet masseren of afdrukken
  • De bijsluiter bevat informatie over de IV injectie
CNK 1586395
Organisaties Viatris
Merken Viatris
Breedte 101 mm
Lengte 154 mm
Diepte 60 mm
Hoeveelheid verpakking 10
Actieve ingrediënten nadroparine calcium
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)